Vandaag reizen de kinderen zonder vliegtuig van de Noordpool naar de jungle, de savanne en de sloot. Onderweg veranderen ze in pinguïns, kikkers, apen, olifanten en nog veel meer dieren.
De kinderen leggen een beweegroute af waarbij iedere opdracht gekoppeld is aan een ander dier en een andere manier van bewegen. Ze springen als kikkers, balanceren als flamingo’s, kruipen als krokodillen en bewegen zwaar als olifanten. Door steeds van dier te wisselen oefenen ze verschillende bewegingen en ontdekken ze spelenderwijs hoeveel manieren er zijn om hun lichaam te gebruiken.
Maak vooraf vier tot zes beweegplekken met eenvoudige materialen zoals hoepels, pionnen, matten, touwen en banken. Zorg voor voldoende ruimte tussen de onderdelen en controleer of materialen stevig liggen en geen struikelgevaar vormen. Kies bewegingen die passen bij de beschikbare ruimte en de motorische mogelijkheden van de groep.
Vertel de kinderen dat ze vandaag door verschillende dierenwerelden gaan reizen en dat ze bij iedere plek in een ander dier veranderen. Vraag hoe een kikker zich beweegt, hoe een pinguïn loopt en of iemand kan laten zien hoe een krokodil over de grond gaat. Laat samen een paar bewegingen uitproberen en leg uit dat het niet gaat om wie het snelst is. Daarna begint de reis bij het eerste leefgebied.
Stap 1: Spring door de kikkersloot
Leg hoepels achter elkaar als waterlelies en laat kinderen van hoepel naar hoepel springen. Ze proberen met twee voeten te landen en hun evenwicht te bewaren voordat ze verder springen. Maak de afstanden tussen de hoepels verschillend, zodat kinderen zelf kunnen inschatten welke sprong bij hen past.
Stap 2: Waggelen over het pinguïnijs
Maak met pionnen een korte route en laat kinderen er met kleine stappen en hun armen langs het lichaam doorheen waggelen. Eventueel houden ze een zachte bal tussen hun knieën alsof ze voorzichtig een pinguïn-ei meenemen. Valt het ei? Dan wordt het gewoon weer opgepakt!
Stap 3: Kruip als een krokodil
Leg een paar matten neer en laat kinderen laag over de grond bewegen. Ze proberen hun lijf zo dicht mogelijk bij de grond te houden en rustig vooruit te kruipen. Zorg dat kinderen voldoende afstand houden zodat er geen krokodillenfile ontstaat.
Stap 4: Balanceer als een flamingo
Gebruik een lijn op de vloer, touw of lage bank waar kinderen rustig overheen lopen. Halverwege stoppen ze en proberen ze kort op één been te staan als een flamingo. Kinderen die dit lastig vinden mogen hun armen gebruiken of kort steun krijgen.
Stap 5: De apenfinish
Maak als laatste onderdeel een korte route waarbij kinderen klimmen, onder iets doorgaan en naar een eindpunt springen. Gebruik alleen lage en stabiele materialen en help waar nodig. Na de finish kiezen de kinderen hun favoriete dierenbeweging en doen jullie die nog één keer samen.
Makkelijker: Kies drie dieren en laat kinderen de route rustig achter elkaar uitvoeren. Maak sprongen kleiner en gebruik brede balansroutes.
Moeilijker: Voeg extra opdrachten toe, zoals galopperen als een paard, zijwaarts lopen als een krab of grote stappen zetten als een giraffe.
Variatie of extra uitdaging: Laat een kind een dierenkaart trekken en ter plekke bedenken hoe iedereen als dat dier naar de andere kant van de ruimte moet bewegen.
Laat de kinderen na de laatste ronde rustig door de ruimte lopen alsof alle dieren moe worden na een lange dag. Ga daarna samen zitten en vraag welk dier het leukste en welk dier het lastigste was om na te doen. Benoem de verschillende manieren waarop kinderen hebben bewogen en hoe goed zij ruimte voor elkaar maakten. Daarna veranderen alle dieren gelukkig weer terug in BSO-kinderen.
Binnen of buiten, op een plek met voldoende ruimte om meerdere beweegonderdelen veilig naast elkaar op te bouwen. Een speelzaal, groot plein of grasveld werkt goed. Houd rondom klim- en springonderdelen extra vrije ruimte.
Cognitieve ontwikkeling
Kinderen koppelen verschillende dieren aan hun manier van bewegen en onthouden de opdrachten van het parcours. Ze leren bewegingen aanpassen aan de ruimte en het materiaal.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kinderen oefenen met wachten, elkaar aanmoedigen en rekening houden met verschillen in kunnen. Ze ervaren plezier en succes binnen hun eigen mogelijkheden.
Motorische ontwikkeling
Springen, kruipen, balanceren, klimmen en lopen spreken verschillende motorische vaardigheden aan. Kinderen oefenen coördinatie, balans, lichaamscontrole en kracht.
Taalontwikkeling
Kinderen benoemen dieren en woorden rondom bewegen, zoals springen, kruipen, balanceren en waggelen. Tijdens het kiezen en bedenken van bewegingen leggen ze hun ideeën aan elkaar uit.