Vandaag krijgt de BSO er een stel kleine dierenverzorgers bij! De kinderen ontdekken wat verschillende dieren nodig hebben om goed verzorgd te worden en helpen een paar knuffeldieren aan eten, drinken, een fijne woonplek en natuurlijk de juiste verzorging.
Kinderen ontdekken spelenderwijs dat dieren levende wezens zijn met verschillende behoeften. Aan de hand van knuffeldieren en materialen bedenken ze wat een hond, konijn, vogel of ander dier nodig heeft en wat juist niet bij dat dier past. Ze oefenen met zorgen, keuzes maken en rekening houden met een ander levend wezen.
Verzamel drie of vier herkenbare knuffeldieren en leg verschillende verzorgingsmaterialen klaar, zoals bakjes, een riem, borstel, dekentje en afbeeldingen van voedsel. Voeg expres een paar materialen toe die niet bij ieder dier passen, zodat kinderen moeten nadenken.
Zet de knuffeldieren in het midden en vertel dat er vandaag een probleem is: de dierenverzorger is er niet en de dieren moeten toch verzorgd worden. Vraag: wat zou een hond nodig hebben? En zou een konijn precies hetzelfde nodig hebben? Laat de kinderen eerst vrij reageren en vertel daarna dat zij vandaag de dierenverzorgers worden.
Stap 1: Kennismaken
Bekijk samen welke dieren er zijn en laat kinderen vertellen wat zij al over deze dieren weten. Bespreek waar ze wonen, wat ze eten en hoe mensen voor ze kunnen zorgen. Vul alleen aan waar nodig; de kinderen mogen vooral zelf met ideeën komen.
Stap 2: Wat heeft het dier nodig?
Verspreid de verzorgingsmaterialen en laat kinderen in kleine groepjes een dier kiezen. Ieder groepje verzamelt de spullen waarvan zij denken dat hun dier die nodig heeft. Daarna bekijken jullie samen de keuzes: heeft een vogel bijvoorbeeld een hondenriem nodig, of kunnen we die beter aan iemand anders geven?
Stap 3: Maak een fijne plek
Laat ieder groepje met eenvoudige materialen een verblijf voor het dier maken. Een konijn krijgt bijvoorbeeld een rustige plek met voer en water en een hond een mand met een drinkbak. Kinderen bedenken zelf wat hun dier nodig heeft om goed verzorgd te worden.
Stap 4: Verzorging
De kinderen spelen dat ze voor hun dier zorgen: eten geven, water neerzetten, borstelen of een wandeling maken. Laat ze daarbij vertellen wat ze doen en waarom. Je kunt tussendoor kleine situaties toevoegen, zoals een lege drinkbak of een hond die naar buiten moet.
Stap 5: Dierencontrole
Loop samen langs alle dieren en bekijk of ze alles hebben wat ze nodig hebben. Laat de kinderen elkaar helpen als er nog iets ontbreekt. Sluit de ronde af met de conclusie dat verschillende dieren verschillende verzorging nodig hebben.
Makkelijker: Geef ieder dier twee of drie materialen waaruit kinderen kunnen kiezen. Zo blijft de opdracht overzichtelijk voor kinderen die veel keuzes lastig vinden.
Moeilijker: Voeg minder bekende dieren toe, zoals een schildpad of cavia, en laat kinderen bedenken wat er anders is aan hun verzorging.
Variatie of extra uitdaging: Maak een kleine dierenopvang in de speelhoek. De kinderen kunnen de activiteit daarna zelfstandig voortzetten in hun fantasiespel.
Breng de dieren en kinderen weer bij elkaar en vraag wat een goede dierenverzorger volgens hen moet doen. Bespreek kort wat alle dieren nodig hebben en welke behoeften juist verschillen. Benoem de goede ideeën en het samenwerken dat je tijdens de activiteit hebt gezien. Daarna mogen de dieren met een goed gevulde buik weer naar hun mand, hok of denkbeeldige jungle.
Deze activiteit kan zowel binnen als buiten gedaan worden, zolang er ruimte is om afgezonderd in kleine groepjes te kunnen werken.
Cognitieve ontwikkeling
Kinderen ontdekken dat dieren verschillende behoeften hebben en leren materialen aan het juiste dier koppelen. Ze denken na over eenvoudige verbanden tussen een dier, zijn leefomgeving en verzorging.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kinderen oefenen met zorgzaam en verantwoordelijk omgaan met andere levende wezens. Tijdens het samenwerken houden ze rekening met elkaars ideeën en verdelen ze taken.
Taalontwikkeling
Kinderen benoemen dieren, materialen en verzorgingshandelingen en vertellen waarom een dier iets nodig heeft. Door samen te praten en te spelen breiden ze hun woordenschat rondom dieren en verzorging uit.
Motorische ontwikkeling
Tijdens het bouwen van verblijven, neerzetten van bakjes en verzorgen van de dieren gebruiken kinderen hun fijne en grove motoriek. In het fantasiespel oefenen ze daarnaast doelgerichte bewegingen zoals borstelen, voeren en wandelen.