Je hoeft niet naar een ver land om op safari te gaan. Onder een blaadje, tussen het gras of naast een boom wonen al mieren, lieveheersbeestjes, wormen en slakken. Met speur ogen gaan de kinderen op zoek naar de kleinste bewoners rondom de BSO.
De kinderen gaan buiten op zoek naar kleine dieren die rondom de BSO leven. Ze kijken waar insecten en andere kleine beestjes zich verstoppen, hoe ze bewegen en welke verschillen ze ontdekken. Het gaat vooral om rustig kijken, verwonderen en kennismaken met dieren die kinderen vaak dagelijks voorbijlopen zonder ze echt te zien. Daarbij leren ze meteen dat ook het kleinste beestje voorzichtig behandeld wordt.
Kies vooraf een veilige buitenplek met gras, struiken, bomen of bladeren waar waarschijnlijk kleine dieren te vinden zijn. Leg vergrootglazen, zoekkaarten en eventueel doorzichtige kijkpotjes met luchtgaatjes klaar; dieren blijven daarin alleen heel kort en worden altijd teruggezet waar ze gevonden zijn. Spreek een duidelijk zoekgebied af en controleer plekken vooraf op afval, brandnetels of andere risico’s, zoals water.
Vertel de kinderen dat er rondom de BSO waarschijnlijk tientallen kleine dieren wonen die zich uitstekend kunnen verstoppen. Vraag waar zij zouden zoeken als ze zelf een mier, worm of slak waren. Bekijk samen een zoekkaart en bespreek dat jullie de dieren alleen bekijken en daarna met rust laten. Dan kunnen de safarihoedjes op en begint de speurtocht.
Stap 1: Plek zoeken
Loop samen naar verschillende plekken, zoals een struik, boom, grasveld of hoopje bladeren. Laat de kinderen voorspellen waar de meeste kleine dieren te vinden zijn en waarom. Daarna mogen ze voorzichtig kijken tussen gras en bladeren en onder losse takjes die zonder schade opgetild kunnen worden.
Stap 2: Bekijken
Wanneer een kind een klein dier ontdekt, verzamelen jullie je rustig rondom de plek. Gebruik een vergrootglas om bijvoorbeeld poten, vleugels, voelsprieten of een huisje beter te bekijken. Laat kinderen benoemen wat ze zien zonder het dier aan te raken als dat niet nodig is.
Stap 3: Hoe beweegt het beestje?
Kijk samen hoe verschillende dieren zich verplaatsen. Een mier loopt snel, een worm kronkelt en een slak kruipt heel langzaam. Laat kinderen daarna zelf kort de beweging van hun gevonden dier nadoen.
Stap 4: Waar woont het?
Bespreek de plek waar het dier gevonden werd. Lag het onder bladeren, zat het op een bloem of liep het over de stenen? Laat kinderen bedenken waarom die plek voor het dier prettig kan zijn en benadruk dat jullie zijn huis daarom netjes achterlaten.
Stap 5: Safari-overzicht
Kom na het zoeken weer bij elkaar en kijk welke dieren zijn ontdekt. Kinderen kunnen vondsten op de zoekkaart afvinken of tekenen. Bespreek welke dieren veel voorkwamen en welke vondst de grootste verrassing was.
Makkelijker: Gebruik een zoekkaart met duidelijke afbeeldingen van vijf of zes veelvoorkomende dieren, zoals mier, slak, worm en lieveheersbeestje. Zoek deze samen als één groep.
Moeilijker: Laat kinderen verschillen tellen of vergelijken, bijvoorbeeld het aantal poten, aanwezigheid van vleugels of snelheid van bewegen.
Variatie of extra uitdaging: Maak na de safari buiten een eenvoudige plek voor kleine dieren met bladeren, takjes en stenen. Gebruik alleen losse natuurmaterialen en laat bestaande leefplekken intact.
Ga samen zitten en bespreek welke kleine bewoners jullie rondom de BSO hebben gevonden. Vraag waar kinderen de volgende keer extra goed op willen letten wanneer ze buiten spelen. Benoem hoe zorgvuldig ze met de dieren en hun leefplekken zijn omgegaan. Daarna worden alle tijdelijke safari-expedities gesloten en mogen de beestjes weer ongestoord verder met hun dag.
Niet ieder kind vindt een spin, worm of kever even fijn. Laat kinderen zelf bepalen hoe dichtbij ze willen kijken en maak eventuele angst niet belachelijk. Meekijken van een afstand telt net zo goed als ontdekken.
Buiten, op het BSO-terrein, in een tuin of op een groene plek op korte loopafstand (indien mogelijk). Een combinatie van gras, struiken, bomen en losse bladeren geeft de meeste kans op vondsten. Controleer vooraf het gebied en spreek duidelijk af waar kinderen wel en niet mogen zoeken.
Cognitieve ontwikkeling
Kinderen ontdekken kenmerken van verschillende kleine dieren en leren verbanden leggen tussen een dier en de plek waar het leeft. Ze vergelijken bijvoorbeeld beweging, lichaamsvorm en leefplek.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kinderen oefenen met respectvol omgaan met dieren en met elkaar samenwerken tijdens het zoeken. Ze ervaren dat ook kleine dieren onderdeel zijn van hun dagelijkse omgeving.
Motorische ontwikkeling
Tijdens het zoeken lopen, bukken, hurken en bewegen kinderen door de buitenruimte. Het hanteren van een vergrootglas en voorzichtig aanwijzen van kleine dieren vraagt daarnaast om gerichte fijne motoriek.
Taalontwikkeling
Kinderen benoemen dieren, lichaamskenmerken, bewegingen en vindplaatsen. Ze vertellen wat ze ontdekken en luisteren naar vondsten van andere kinderen.