Een konijn heeft enorme oren, een olifant ook bepaald geen kleintjes en een uil kan zelfs een muis horen ritselen. Maar maakt de vorm van een oor eigenlijk verschil voor wat je hoort? De kinderen bouwen verschillende dierenoren en testen zelf of ze daarmee geluid anders kunnen opvangen.
De kinderen onderzoeken hoe geluid kan worden opgevangen en geleid door verschillende oorvormen. Ze luisteren eerst met hun gewone oren en maken daarna eenvoudige grote oren en trechtervormige luisterhulpen van papier of karton. Vervolgens testen ze vanaf welke afstand ze een zacht geluid kunnen horen en vergelijken ze verschillende ontwerpen. Zo ontdekken ze dat dierenoren niet alleen voor de sier aan een kop zitten, maar een vorm hebben die past bij hoe een dier leeft.
Maak een rustige testplek waar weinig achtergrondgeluid is en zet met tape enkele afstandsmarkeringen op de vloer, bijvoorbeeld iedere meter. Leg stevig papier, dun karton, tape, scharen en afbeeldingen van verschillende dierenoren klaar. Gebruik uitsluitend zachte testgeluiden en laat kinderen niets in hun gehoorgang steken.
Bekijk samen afbeeldingen van bijvoorbeeld een konijn, olifant, vos, kat en uil. Vraag waarom dieren zulke verschillende oren zouden hebben en of grotere oren volgens de kinderen automatisch beter horen. Laat iedereen even de handen achter de oren houden en luister opnieuw naar een zacht geluid. Horen ze verschil? Tijd om het verder te onderzoeken.
Stap 1: De gewone orentest
Laat één kind op een vaste plek staan en een ander kind op enkele meters afstand een zacht, steeds hetzelfde geluid maken, bijvoorbeeld met twee vingers wrijven, zachtjes papier ritselen of een klein belletje gebruiken. Het luisterende kind geeft aan wanneer het geluid hoorbaar is. Herhaal dit vanaf verschillende afstanden en noteer ongeveer tot waar het geluid goed gehoord wordt.
Stap 2: Maak grote dierenoren
Geef de kinderen stevig papier of dun karton en laat ze twee grote oorvormen maken. Ze kunnen zich laten inspireren door een konijn, vos of ander dier, maar de oren moeten groot genoeg zijn om achter de eigen oren gehouden te worden. Laat ze eerst voorspellen of hun ontwerp verschil gaat maken.
Stap 3: Test de grote oren
Voer dezelfde luistertest opnieuw uit, maar nu houdt het kind de zelfgemaakte oren achter de eigen oren. Zorg dat de geluidmaker hetzelfde geluid gebruikt en ongeveer op dezelfde plek staat. Vergelijk het resultaat met de eerste test: werd het geluid duidelijker, leek het harder of was er nauwelijks verschil?
Stap 4: Bouw een luistertrechter
Nu maken de kinderen van papier een brede trechter die geluid richting het oor kan leiden. De trechter wordt vóór of rondom het oor gehouden en nooit in het oor gestoken. Test opnieuw met hetzelfde geluid en laat kinderen onderzoeken of een brede, smalle, lange of korte trechter verschil maakt.
Stap 5: Waar komt het geluid vandaan?
Laat één kind met gesloten ogen of met de rug naar de groep zitten terwijl een ander kind vanaf verschillende veilige plekken een zacht geluid maakt. Het luisterende kind wijst aan uit welke richting het geluid kwam. Doe dit eerst zonder hulpmiddel en daarna met één groot papieren oor of luistertrechter.
Stap 6: Ontwerp het ultieme dierenoor
Na alle tests mogen de kinderen hun beste ideeën combineren tot één nieuw dierenoor. Misschien wordt het lang als een konijnenoor, breed als een olifantenoor of trechtervormig als hun eigen luisterhulpmiddel. Laat ieder duo kort uitleggen welke vorm ze hebben gekozen en waarom zij denken dat die goed geluid opvangt.
Stap 7: Extra uitleg
Geluid ontstaat door trillingen die zich door bijvoorbeeld lucht verplaatsen. Onze oorschelp helpt deze geluidsgolven op te vangen en richting de gehoorgang te leiden. Een grotere of anders gevormde oorschelp kan bepaalde geluiden beter opvangen of helpen bij het bepalen uit welke richting geluid komt.
Bij dieren speelt de vorm van het oor samen met andere onderdelen van hun gehoorsysteem een rol. Sommige zoogdieren kunnen hun oren afzonderlijk draaien richting een geluid, terwijl dieren zoals uilen bijzondere aanpassingen hebben waarmee ze heel nauwkeurig kunnen bepalen waar een geluid vandaan komt. Grote oren hebben overigens niet altijd alleen met horen te maken: olifanten gebruiken hun grote oren bijvoorbeeld ook om warmte kwijt te raken.
Makkelijker: Maak vooraf enkele papieren oorvormen en laat kinderen vooral testen en vergelijken. Beperk de proef tot gewone oren, handen achter de oren en één papieren ontwerp.
Moeilijker: Laat kinderen hun resultaten bijhouden in een eenvoudig schema. Ze vergelijken bijvoorbeeld normaal horen, grote oren en een luistertrechter vanaf dezelfde afstanden.
Variatie of extra uitdaging: Maak een geluidsparcours waarbij één kind verschillende zachte geluiden vanaf vaste plekken laat horen. De onderzoekers proberen te bepalen waar het geluid vandaan komt en welk hulpmiddel daarbij het beste werkt.
Leg de verschillende dierenoren bij elkaar en bespreek welke ontwerpen tijdens de tests het meeste verschil leken te maken. Vraag of het grootste oor automatisch het beste werkte en welke vorm kinderen opnieuw zouden bouwen. Koppel de ontdekking terug naar dieren: verschillende dieren hebben oren die passen bij hun lichaam, leefomgeving en manier van leven.
Binnen of buiten, bij voorkeur in een rustige groepsruimte, speelzaal of gang waar voldoende afstand gemaakt kan worden. Zorg dat andere activiteiten zo min mogelijk achtergrondgeluid veroorzaken tijdens de tests. Maak een duidelijke luisterzone zodat kinderen weten wanneer het stil moet zijn.